mail a friend

english flag  german flag  french flag  spanish flag

Racisme in Nederland / Jaar in beeld 2000 / Publieke Opinie

* Publieke Opinie

In het jaar 2000 zijn verschillende opiniepeilingen verschenen of gehouden die betrekking hebben op de houding die de Nederlandse bevolking inneemt tegenover zaken die te maken hebben met de multiculturele samenleving, zoals minderheden, vluchtelingen, immigratie, integratie en overheidsbeleid. Eén van deze peilingen maakt deel uit van serie peilingen die elk jaar worden gehouden: de peiling van het CBS. Voorts is er een peiling op lokaal niveau en een peiling op Europees niveau.

Peiling CBS

Het CBS heeft in 1999 een peiling afgenomen en de resultaten hiervan afgezet tegenover die van 1997 en 1998. Het algemene beeld is dat in deze periode de meningen ongeveer gelijk gebleven zijn. Wel is men tegenover 1997 iets milder gestemd over de komst van buitenlandse werknemers. Daarbij zijn werknemers uit landen van de Europese Unie het meest welkom. Een kwart van de bevolking is voorstander van een onbelemmerde toegang van werknemers binnen de Europese Unie. Dit betekent dat driekwart van de bevolking tegen de feitelijke situatie is. Immers, de arbeidsmarkt in de Europese Unie is al volledig vrij voor alle inwoners van de lidstaten. Slechts 10 procent van de Nederlandse bevolking is voorstander van volledige openstelling van de Nederlandse arbeidsmarkt voor mensen buiten de lidstaten.

Zeventien procent van de Nederlandse bevolking wil een volledige stopzetting van de toestroom van asielzoekers. Driekwart van de bevolking vindt dat de instroom van asielzoekers beperkt moet blijven, aldus het CBS rapport.

Een meerderheid van de bevolking wenst dat buitenlanders zich aan de Nederlandse cultuur en gewoonten aanpassen. Een volledige aanpassing wenst 25 procent en 29 procent neemt een minder extreme positie in. De helft van de bevolking is tegenstander van een voorkeursbeleid voor etnische minderheden op de arbeidsmarkt. Negen van de tien Nederlanders vindt dat bij ontslag de herkomst van een persoon geen rol mag spelen.

De hierboven aangehaalde meningen lopen binnen de Nederlandse bevolking nogal uiteen. Zo blijkt dat jongeren en hoger opgeleiden een tolerantere positie innemen dan ouderen en lager opgeleiden. Opleiding heeft veruit de grootste invloed op de mening over minderheden.[18]

Tilburg

Voorts is er in 1999 in Tilburg een peiling gehouden. Dit gebeurde in het kader van een onderzoek dat als doel had een instrument te ontwikkelen om de maatschappelijke acceptatie voor allochtonen en asielzoekers te meten.[19] Een speciaal ontwikkelde vragenlijst met als onderwerp de houding tegenover de multiculturele samenleving werd getest in drie wijken: Quirijnstok, De Blaak en Groenewoud. Van deze vragenlijst werden twee versies gebruikt: één over vluchtelingen en één over allochtonen. Tussen de wijken Quirijnstok en De Blaak bleek er een significant verschil te bestaan, de resultaten toonden een meer negatieve houding in Quirijnstok. Een mogelijke oorzaak hiervoor is dat in Quirijnstok de versie over vluchtelingen is afgenomen en in De Blaak de vragenlijst over allochtonen. In dat geval zouden mensen minder welwillend staan tegenover de multiculturele samenleving waar het vluchtelingen betreft dan waar het allochtonen betreft. Voorts kwam naar voren dat mensen met een hogere opleiding een positievere houding hebben tegenover multiculturalisme. Deze constatering komt overeen met het opinie-onderzoek van het CBS.

Hoofdconclusie van het onderzoek is dat de ontwikkelde vragenlijst voldoet als instrument om de houding van de bevolking tegenover allochtonen en vluchtelingen te meten.

Onderzoek Europees Observatorium tegen Racisme en Vreemdelingenhaat

Het Europees Observatorium heeft in april en mei 2000 een enquête afgenomen in heel de Europese Unie.[20] Uit deze enquête kwam naar voren dat 64 procent van de burgers van de Europese Unie de multiculturele samenleving een goede zaak vindt. In Nederland was dit percentage 74. Daarmee behoorde Nederland tot de hoogst scorende landen. Andere landen waar de bevolking in grote meerderheid positief denkt over de multiculturele samenleving zijn Zweden met 77 procent en Spanje met 75 procent. Het meest afwijzend tegenover de multiculturele samenleving is men in Griekenland. Daar is slechts 36 procent van de bevolking voorstander van de multiculturele samenleving. In Oostenrijk was dat percentage 52, in Duitsland 53 en in België 56.

In het onderzoek van het Observatorium werden vier groepen binnen de bevolking van de Europese Unie geïdentificeerd: burgers met een actief tolerante, intolerante, ambivalente en passief tolerante houding. Mensen met een intolerante houding vertonen een sterk negatief gedrag tegenover minderheden. Zij zijn goed voor 14 procent van de bevolking van de EU. In Nederland vormt deze groep 11 procent van de bevolking. Mensen met een actief tolerante houding vormen 21 procent van de bevolking van de EU en 31 procent van de Nederlandse bevolking.

In 1988, 1993 en 1997 heeft de Europese Commissie soortgelijke onderzoeken gedaan. Twaalf vragen uit het onderzoek van 1997 werden in 2000 weer opgenomen. Wanneer de resultaten van deze meting worden afgezet tegenover die van 1997 dan kunnen geen duidelijke conclusies worden getrokken. Aan de ene kant steunen meer mensen beleidsmaatregelen gericht op een verbetering van de relaties tussen meerderheden en minderheden. Aan de andere kant is een meerderheid van de Europeanen bezorgd over de aanwezigheid van minderheden omdat die de maatschappelijke stabiliteit zouden bedreigen.

Voor Nederland wordt geconcludeerd dat Nederlanders de meest fervente voorstanders zijn van een beleid gericht op het scheppen van gelijke kansen. Verder zien Nederlanders de aanwezigheid van culturele minderheden als een verrijking voor de maatschappij. Echter in vergelijking met andere Europeanen zijn er in Nederlander meer voorstanders van de culturele assimilatie van minderheden. Een constatering die contrasteert met de relatief positieve houding tegenover de multiculturele samenleving. Zoals hierboven vermeld, geeft ook het CBS aan dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking wenst dat buitenlanders zich aan de autochtone cultuur en gewoonten aanpassen.

Ook in dit onderzoek komt naar voren dat de houding tegenover de multiculturele samenleving samenhangt met onderwijs. Hoe hoger het niveau van het onderwijs, des te positiever de houding die men inneemt. Driekwart van de mensen met een hogere opleiding in de Europese Unie vindt de multiculturele samenleving een goede zaak.

Jongeren

Uit het jaarlijkse opinieonderzoek van MIXT, uitgevoerd onder jongeren in Nederland, komt naar voren dat in vergelijking met 1999 de relatie tussen Nederlandse en allochtone jongeren mogelijk minder goed is geworden. Meer jongeren ervaren de relatie tussen autochtone en allochtone jongeren als niet goed: van 17 % in 1999 naar 22 % in 2000. Toch hebben de meeste jongeren een positief beeld over de verhoudingen tussen allochtone en autochtone jongeren.[21]

Scholing

Uit de hierboven aangehaalde peilingen komt één ding duidelijk naar voren: laaggeschoolden staan veel afwijzender tegenover minderheden en migratie dan hooggeschoolden.

Er zijn verschillende theorieën die dit verschil in opinie proberen te verklaren.[22] Eén daarvan is de theorie van de maatschappelijke concurrentie. In de maatschappij concurreren groepen met elkaar om bepaalde maatschappelijke goederen zoals huisvesting, arbeid en sociale zekerheid. Op de arbeidsmarkt en woningmarkt concurreren met name laaggeschoolden en migranten met elkaar. Vandaar dat laaggeschoolde autochtonen eerder migranten als bedreigend kunnen ervaren.

Een andere theorie is die van de bekendheid met vreemde culturen en minderheden. Hoe meer onderwijs iemand heeft genoten, hoe meer kennis hij heeft over andere culturen. Daardoor worden deze als minder bedreigend gezien. Als deze theorie juist is zal de Nederlandse bevolking steeds toleranter worden. Immers, het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking stijgt voortdurend. In het geval van de concurrentietheorie liggen de zaken gecompliceerder. Als de economie gaat verslechteren, zal de concurrentie om maatschappelijke goederen en posities groeien en intolerantie doen groeien.

In Jaar in beeld 1999 is gewezen op het onderzoek waarop Geneviève Verberk in 1999 promoveerde.[23] Zij maakte in haar onderzoek onderscheid tussen openlijke en verborgen negatieve vooroordelen, en stelde dat bijna de helft van de bevolking dergelijke vooroordelen heeft. In haar proefschrift geeft zij aan dat lager opgeleiden hun vooroordelen openlijker uiten. Dat hoger opgeleiden beter in staat zijn sociaal wenselijke antwoorden te formuleren wordt inderdaad vaker, en met recht, opgemerkt. In opinie-onderzoeken kan dit verhullend werken. Een terechte opmerking, over een verschijnsel dat zorgelijk is, maar niet zonder meer het geconstateerde positieve effect van scholing kan wegpoetsen.

<br/>

<small>
Voetnoten:

fn18. J.J.G.Schmeets Meningen over buitenlanders: toestroom, integratie en beleid uit: Allochtonen in Nederland 2000, Voorburg/Heerlen: CBS, 2000

fn19. S.M. Breugelmans Lokaal draagvlak voor gastvrijheid: Meting van de acceptatie van allochtonen in de gemeente Tilburg, Tilburg: KU Brabant, 2000

fn20. Eurobaromoter survey on attitudes towards immigrants and minorities in the EU, Wien: European Monitoring Centre on Racism and Xenophobia, 2001

fn21. Trendbox BV, 8e Mixt Racism Beat It Festival, augustus 2000

fn22. zie J.J.G.Schmeets (2000)

fn23. Attitudes towards ethnic minorities: conceptualizations, measurements and models, G.T.M. Verberk, Katholieke Universiteit Nijmegen, 1999
</small>

<br/>
« Racisme meten

p>. Beeldvorming en discussies in de media »

 

 

> zoek

Discriminatie? Vind een meldpunt in uw buurt of BelGelijk 0900 - 2 354 354

 



 

Volg Art.1

Art.1 zoekt stagiaires


Art.1 is onder meer verbonden aan: