Racisme in Nederland / Jaar in beeld 1999 / Opiniepeilingen
Opinieonderzoek Sociaal Cultureel Planbureau
Bij de opsomming van positieve en negatieve ontwikkelingen, in de inleiding, is opgemerkt dat Nederlanders over het algemeen in het openbaar afkerig zijn van discriminatie en ongelijke behandeling. Ook is het opinieklimaat ten aanzien van allochtonen niet ongunstig. De in 1999 gepubliceerde opiniepeilingen tonen echter schommelingen in de publieke opinie aan.
Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) legt jaarlijks een drietal vragen - elk jaar identiek geformuleerd - voor om te onderzoeken of er schommelingen zijn in de Nederlandse publieke opinie ten aanzien van discriminatie. Het bureau onderzoekt dat met vragen over de acceptatie van een lid van een ander ras als buurman, het wel of niet hebben van een voorkeur voor een buitenlander of Nederlander in geval van promotie en het wel of niet verschil maken in geval van noodzakelijk ontslag.
In 1998 gaf 73% van de ondervraagden aan geen verschil bij ontslag te willen maken en 78% wil geen verschil bij toekenning van promotie. De terughoudendheid ten aanzien van mensen van een ander ras als naaste buren is wel vrij groot. Weliswaar staat 51% positief tegenover nieuwe vreemde buren, maar 49% heeft reserves. Een duidelijk hoger percentage dan dat over ontslag en promotie. De 49% is onder te verdelen in Hangt ervan af - 27%, minder prettig - 20% en zou mij er tegen verzetten - 2%.
Ook bij een vraag over de toewijzing van een leegstaande woning (aan een Nederlander of een buitenlander?) ondersteunde slechts 53% het idee van gelijke behandeling. Weer een ruim verschil met de arbeidsmarktonderwerpen.
Buitenlanders als buren is blijkbaar een knelpunt. Deze gegevens bevestigen dat met de mond beleden antidiscriminatiestandpunten in de praktijk moeilijker houdbaar zijn. Een voorbeeld van de eerder omschreven Not In My Back Yard gevoelens.
<br/>
<hr>
Intermezzo
Terzijde
De geschiedenis van de menselijke waardigheid kent vele hoogte- en dieptepunten.
De vorige eeuw kende de gruwelijkste oorlogen, volkerenmoorden en hongersnoden. Maar in dezelfde eeuw werd ook in grote delen van de wereld afstand genomen van onmenselijke ideeën en praktijken uit de eeuw daarvoor, zoals slavernij, kolonialisme en genetisch beargumenteerd racisme.
Tussen alle diepte- en hoogtepunten door, is er misschien sprake van een voortschrijdend gemiddelde van humanitaire vooruitgang. Internationaal en nationaal raken humanitaire waarden en normen steeds steviger verankerd. In de politiek, in verdragen en in het gesprek over hoe de wereld moet worden ingericht. Humanistische waarden en normen zijn een bondgenoot bij de bestrijding van racisme.
Hoe waardevol tradities van antiracisme en humanistische normen en waarden ook zijn, een garantie voor de toekomst zijn zij niet. Opvattingen, normen en waarden ontwikkelen zich niet volgens een rechte lijn. Onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen vallen altijd schommelingen in het maatschappelijk debat en de publieke opinie waar te nemen. Bovendien kan je ook bij het bezit van een humanistische traditie niet op de lauweren rusten. Menselijke waardigheid en antiracisme moeten in de praktijk worden waargemaakt en getoetst.
<hr>
<br/>
Lichte achteruitgang in laatste jaren
Bekeken over een aantal jaren verlopen de opinieschommelingen ongeveer volgens hetzelfde patroon. Voor alledrie de hierboven beschreven onderwerpen die het SCP onderzocht. Een stijging van de toestroom van migranten in een bepaald jaar wordt geregeld gevolgd door een verslechtering in het oordeel over buitenlanders in het daaropvolgende jaar. Deze regelmaat tekent zich vrij vaag af in de gegevens, maar het lijkt er toch op dat het publiek reageert op berichten over de instroom, en niet zozeer op andere demografische gegevens. Dat suggereert een statistisch verband tussen berichtgeving in de media, beeldvorming en de publieke opinie.
Uit de cijfers van de laatste jaren blijkt dat de houding jegens minderheden vanaf 1995 in lichte mate negatiever wordt. In 1995 had 43% een bezwaar tegen buren van een andere etnische afkomst, in 1998 49%. Liever een Nederlands gezin in een vrijgekomen woning steeg van 37% naar 45%. In 1995 stemde 14% in met het ontslaan van een buitenlander, bij noodzakelijk ontslag, in 1998 20%. In 1995 gunde 14% een promotie aan een Nederlander, wanneer er gekozen moest worden, in 1998 18%.
<br/>
Verschillen per stad en opleidingsniveau
Migranten wonen relatief vaker in de grotere steden. In deze gemeenten is, zo signaleert het SCP, de tegenzin om hen als buren te accepteren het laagst. De meeste weerstand wordt gevonden in de kleinere gemeenten. Wellicht omdat daar het minst sprake is van bekendheid met migranten.
Bij de vragen over promotie en ontslag viel het oordeel van mensen die werken op het laagste beroepsniveau het meest negatief uit voor minderheden. De antwoorden van mensen met een hoger of middelbaar opleidingsniveau vertonen weinig verschillen. Wel lijken vanaf 1994 de oordelen van mensen met middelbaar beroepsniveau iets sneller negatief te worden.
<br/>
Vergelijking met West-Europese landen
Voor de interpretatie van de in Nederland verkregen cijfers is een vergelijking met West-Europese landen waardevol. Gegevens van het SCP/ISSP geven een beeld van de situatie in 1995. Volgens die gegevens wordt in West-Europa de gedachte dat minderheden één van de bronnen van criminaliteit zijn, vaak onderschreven. Het thema criminaliteit heeft het hoogste negatieve oordeel - 46%. Andere West-Europese scores: buitenlanders bezetten schaarse banen - 34%. Hun bijdrage aan de economie ontbreekt - 38%. De stelling dat buitenlanders de cultuur in gunstige zin internationaliseren wordt echter ook in ruime meerderheid onderschreven. Volgens slechts 19% ontbreekt deze invloed.
Nederland onderscheidt zich niet veel van het West-Europese beeld. Nederlanders zijn alleen minder geneigd de oorzaak van de criminaliteit bij buitenlanders te zoeken.
Nederland kent de minderheid minder dan gemiddeld in West-Europa culturele rechten toe. Hetzelfde valt overigens te constateren voor Noorwegen, Zweden en Groot-Brittannië. In 1995 stelt men in deze landen meer dan gemiddeld prijs op assimilatie. Ierland, Italië, Spanje en Duitsland zijn minder veeleisend op het gebied van assimilatie. In Nederland heeft de nadruk op behoud van eigen taal en cultuur, die aanvankelijk bestond, tot op zekere hoogte plaats gemaakt voor het propageren van inburgering, blijkt uit in 1998 verkregen cijfers.
<br/>
Onderzoek NIPO
In het najaar van 1999 is in opdracht van de KRO door het NIPO een enquête gehouden onder 1044 personen van 18 jaar en ouder. Onderzocht is de houding ten aanzien van de opvang van asielzoekers in Nederland. Ter vergelijking zijn enkele vragen opgenomen die in eerdere onderzoeken van het NIPO zijn gebruikt in 1993, 1995 en 1998.
Uit de resultaten blijkt dat het percentage mensen dat de instroom van immigranten en asielzoekers een goede ontwikkeling vindt, is afgenomen van 18% in 1993 naar 3% in 1999. Het percentage mensen dat de instroom een slechte ontwikkeling vindt, neemt toe van 50% in 1993 tot 74% in 1998, terwijl in 1999 het percentage weer daalt tot 66%. De afname naar 66% in 1999 (toch nog een ruime meerderheid van de bevolking) valt misschien te verklaren uit de beelden van vluchtende Kosovaren. Die brachten mensen met een negatief oordeel misschien aan het twijfelen, veronderstellen de onderzoekers. Het maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat immigranten en asielzoekers voor het grote publiek een gezicht hebben.
Het percentage Nederlanders dat volgens het onderzoek vindt dat er beperkende maatregelen moeten komen om de toevloed van immigranten en asielzoekers te beperken ligt ruim boven de 80% (van 77% in 1993 naar 89% in 1998 en 86% in 1999).
<br/>
Beeldvorming over asielzoekers
In de KRO-NIPO enquête van 1999 werd ook onderzocht hoe mensen aan hun kennis over asielzoekers komen. In deze momentopname gaven de meeste respondenten aan dat ze de afgelopen maand wel iets gezien, gelezen of gehoord hadden over asielzoekers. En dat de informatie naar hun oordeel negatief van inhoud was. Krant en televisie waren de belangrijkste informatiebronnen, maar asielzoekers kwamen ook naar voren als een kennelijk belangrijk gespreksonderwerp van vrienden en familie.
Eveneens werd onderzocht in hoeverre mensen ook daadwerkelijk met asielzoekers te maken hebben. Uit de antwoorden bleek dat de meeste mensen nooit of een enkele keer een asielzoeker tegenkomen.
Wanneer het gaat om kennis van de aantallen asielzoekers die naar Nederland komen, schat een derde van de ondervraagden dat aantal te hoog in.
In evenwicht was het aantal ondervraagden dat wel of geen overwegende bezwaren had tegen de vestiging van een asielzoekerscentrum binnen een straal van drie kilometer. Volgens KRO-NIPO een verrassend positieve uitslag vergeleken met andere NIPO-onderzoeken, waaruit het beeld naar voren kwam van een kleiner draagvlak voor opvang.
Meer dan de helft van de respondenten onderschrijft dat asielzoekers veel overlast veroorzaken en 41% meent dat asielzoekers crimineler zijn dan de gemiddelde Nederlander. Het is onduidelijk waarop deze mening gebaseerd is. De KRO meldt overigens dat uit eigen onderzoek niet blijkt dat de criminaliteit stijgt wanneer ergens een asielzoekerscentrum wordt gevestigd. Beeldvorming in de media en bestaande vooroordelen lijken ten grondslag te liggen aan deze negatieve oordelen.
Opvallend positief, en afwijkend van het huidige overheidsbeleid, is overigens dat bijna driekwart vindt dat asielzoekers in de gelegenheid moeten worden gesteld te werken. Zelfs vindt 53% dat ze moeten werken.
<br/>
CBS
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldt dat opinieonderzoeken vanaf 1994 uitwijzen dat problemen op het terrein van minderheden en discriminatie door Nederlanders als een van de belangrijkste problemen worden gezien.
Wanneer het gaat om aanpassen aan Nederlandse cultuur en gewoonten, kiest in 1998, net als in 1997, een meerderheid van 54% van de ondervraagden voor aanpassen. Van de ondervraagden heeft 35% een mening die ligt tussen aanpassen en het behoud van alle gewoonten uit de eigen cultuur.
Slechts 18% is het ermee eens wanneer de overheid een beleid voert van positieve discriminatie van etnische minderheden bij het vinden van een baan. Hiermee is 55% het oneens, waarvan 22% helemaal oneens, 25% neemt een tussenpositie in.
Net als in andere onderzoeken, merkt het CBS op dat opleiding en leeftijd invloed hebben op het wel of niet hebben van vooroordelen. In het algemeen geldt dat een hogere opleiding en een jongere leeftijd leiden tot mildere oordelen over de gewenste aanpassing van minderheden en het positieve discriminatiebeleid.
Mogelijke verklaringen bieden de concurrentiethese en de bekendheidsthese. Mensen met een lagere opleiding kunnen eerder concurrentie op de arbeidsmarkt vrezen. Jongeren zijn meer dan ouderen opgegroeid in een multiculturele samenleving en hebben, net als hoger opgeleiden, meer kennis van etnische minderheden en hun achtergronden. Overigens zijn jongeren gemiddeld hoger opgeleid dan ouderen.
Een in 1999 in opdracht van MIXT uitgevoerde enquête bevestigt het idee dat jonger zijn leidt tot een positievere houding. Een houding die wordt bevorderd door contacten met mensen van diverse afkomst en het als gewoon ervaren van de multiculturele samenleving.
<br/>
<hr>
Intermezzo
Nederland geen tolerantieparadijs
Op 19 mei 1999 promoveerde de Nijmeegse sociologe Geneviève Verberk op haar onderzoek naar houdingen van autochtone Nederlanders ten aanzien van allochtonen. Zij stelde dat bijna de helft van de bevolking negatieve vooroordelen over allochtonen heeft. In haar onderzoek maakt zij een onderscheid tussen openlijke en verborgen negatieve vooroordelen. Een openlijk negatieve houding zou met name voorkomen bij de lagere beroepsgroepen en lager opgeleiden. Verborgen negatieve vooroordelen komen, zo constateert de onderzoekster, bij lager opgeleiden, maar ook bij middelbare beroepsgroepen en middelbaar opgeleiden in relatief sterke mate voor. De negatieve vooroordelen leiden ertoe dat mensen afstand houden tot allochtonen en tolerant zijn totdat de persoon in kwestie zelf met allochtonen wordt geconfronteerd.
Het beeld dat Verberk schetst is, naar ervaring van de medewerkers van het LBR, geen opvallend nieuw beeld. Het onderscheid tussen middelbare- en lagere beroepsgroepen, willen wij wel nuanceren. Het bijna clichébeeld van de verjaardagsfeestjes waar gemakkelijk allerlei meningen en vooroordelen over migranten en vluchtelingen onweersproken over tafel gaan, is voor veel mensen maar al te herkenbaar. In het algemeen is het echter wel zo dat middenklassers verbaal vaardiger en minder direct zijn en beter beseffen wat je in het openbaar wel en niet kunt zeggen. Dat werkt inderdaad verhullend.
Het zijn middenklassers die mensen aannemen. Die beslissen welke vervolgopleiding het best bij een scholier past. Die bepalen wat voor prestaties je van een leerling of student moet verwachten. Die uitmaken of een woningzoekende in aanmerking komt voor een bepaald huis of niet. Dit zijn voorbeelden uit de belangrijke sectoren onderwijs, arbeidsmarkt en huisvesting. Sectoren waar sprake is van achterstelling. Achterstelling waaraan vaak verschillende oorzaken ten grondslag liggen. Maar waarbij discriminatie ook een rol speelt.
Het proefschrift van Geneviève Verberk illustreert dat het gekoesterde zelfbeeld van Nederland als tolerantieparadijs correctie behoeft. Nederland is geen tolerantieparadijs. De norm dat vooroordelen en racisme ongewenst zijn, is goed. Hier moet aanhoudend aan gewerkt worden.
<hr>
<br/>
« Discussies in de media